1.
Geografische
ligging
Het
studiegebied is gelegen in het zuidelijke gedeelte van de stad Borgloon en valt
globaal samen met het ruilverkavelingsgebied Grootloon, tussen het dorp
Grootloon in het oosten en het dorp Hendrieken/Voort in het westen. In het
noorden wordt het begrensd door de N76 en in het zuiden door de grens met de
gemeente Heers. De Romeinse Kassei doorsnijdt het gebied van oost naar west.
Binnen
dit gebied liggen verspreid 10 percelen, vnl. hoogstamboomgaarden, die eigendom
zijn van de Provincie Limburg. Deze percelen -samen goed voor ca. 18 ha -
zijn in het kader van de ruilverkaveling Grootloon overgedragen aan de Provincie
Limburg.
In
dit studiegebied kregen ook andere openbare besturen eigendommen toegewezen :
Daarnaast
verwierf Natuurpunt v.z.w. een 12-tal ha ten noorden van de kerk van Grootloon.
Zij beheren de verworven eigendommen in functie van de aanwezige natuurwaarden,
grotendeels verbonden aan de hoogstamboomgaarden.
2.
Landschap
en reliëf
Het
studiegebied situeert zich in de contactzone tussen Droog en Vochtig Haspengouw
waar het leemplateau van Midden-België grenst aan de lager gelegen noordelijke
zandleemstreek. De randen van het plateau worden in dit gebied door de
erosiewerking van het Herk- en Mombeekwaterlopenstelsel sterk versneden waardoor
het landschap nogal heuvelachtig is.
Van
oudsher kwam akkerbouw vooral voor op de vlakkere stukken. De steile hellingen
waren immers moeilijker (machinaal) te bewerken en het leemdek is op de
hellingen ook minder dik (en dus minder interessant voor akkerbouw). De
hellingen waren daarom het meest geschikt voor weidecultuur.
Hoogstamboomgaarden
-vnl. appelen en peren- concentreerden zich tot de 18de eeuw rond de
dorpen. Het vee vond er beschutting en het fruit vormde een welkome aanvulling
op het dagelijkse voedselpakket. Pas in de 19de eeuw, toen fruit ook
voor commerciële doeleinden werd gebruikt, werden op de hellende graasweiden
steeds meer hoogstamfruitbomen aangeplant. Het fruit, bestemd voor de lokale
markt, zorgde zo voor een bijkomend agrarisch rendement bij de boeren.
Ook
Borgloon en haar deelgemeenten konden niet aan deze algemene tendens ontsnappen.
Toch is een belangrijke concentratie van hoogstamboomgaarden in Grootloon
bewaard gebleven. Deze hoogstamboomgaarden moeten gezien worden als een restant
van de bloeiperiode van de fruitteelt in het begin van de 20ste eeuw.
Het huidige landschap ten zuiden van Borgloon, met relatief veel weilanden,
bewaarde hoogstamboomgaarden omzoomd met hagen en houtkanten en holle wegen,
vormt een ‘traditioneel landschap’. Uit de historische ontwikkeling van dit
landschap kunnen wij afleiden dat het gebied grotendeels een ‘permanent
grasland’ was. Typische nog zichtbare (historische) verschijningsvormen in het
huidige landschap zijn:
3. Avifauna
Hoogstamboomgaarden
zijn voor een aantal vogelsoorten aantrekkelijke foerageergebieden of
nestelplaatsen. De broedvogelsamenstelling in een hoogstamboomgaard wordt
bepaald door factoren zoals de onderhoudstoestand van de bomen (leeftijd,
aanwezigheid holten, verwildering, …), de diversiteit aan bomen (vorm,
vertakking, grootte, oogsttijd, …), de aanwezigheid van hagen, struwelen
en ruigtes, het beheer van de kruidlaag, …
Van
avifaunistisch belang in het studiegebied zijn:
Elk
boomgaardencomplex van enige omvang wordt in het studiegebied door een
koppeltje steenuilen bezet.
Mogelijk speelt de verspreiding van de appelboom, die vaak als nestboom
wordt gebruikt, hierin een belangrijke rol. Het behoud van de steenuil wordt
als middel gezien voor het behoud van de hele vogelbevolking voor de
hoogstam: de steenuil is dus dé ambassadeur voor avifaunistisch waardevolle
boomgaarden. Daarnaast is het behoud van (begraasde) soortenrijke graslanden
en KLE (hagen, houtkanten, wegbermen, ruige overhoeken,…) belangrijk als
voedselgebied voor de steenuil en andere hoogstamsoorten.
Voor
houtkantsoorten is de
ontwikkeling van rijk gestructureerde en duurzaam onderhouden KLE vereist.
Houtkantsoorten verkiezen overgangssituaties in een structuurrijk landschap
met lineair, opgaand groen zoals houtkanten, hagen, .. De ‘ideale
houtkant’ voldoet best aan volgende voorwaarden :
Ook
voor de akkervogels in het
studiegebied, met de patrijs als ambassadeur, zijn KLE belangrijk. Hoewel
patrijzen vogels zijn van open gebieden, schijnen ze in het studiegebied de
grootschalige, monotone akkergebieden te mijden ten voordele van eerder
kleinschalige gebieden met meer afwisselend bodemgebruik . Akkergebieden met
een mozaïek van relatief kleine percelen die afgewisseld worden met
extensieve graslanden, hagen, houtkanten, braakliggende stukjes en brede
bermen vormen het voorkeurhabitat. Behoud van de openheid van het landschap
en van het voedselaanbod, samen met een beter aanbod nestdekking zijn
maatregelen ten voordele van de akkervogels.
Uit
inventarisaties in de periode 1994-1995 blijkt dat in het gebied 7
amfibiesoorten bevat. De meest algemene soorten zijn:
Vroedmeesterpad,
kamsalamander en groene kikker zijn zeldzame soorten in het studiegebied:
info
: Eric Decock 012-672439 eric.decock@encare.be