Ligging : het gebied is terug te vinden op de NGI-Stafkaart 33/7-8
Gewestplan: gedeeltelijk in parkgebied en anderzijds in landschappelijk waardevol agrarisch gebied.
het gebied ligt ook in de landschapbescherming die is opgesteld door Monumenten en Landschappen.
Topografisch: de vallei van Kuttekoven kent een reliëf van 70-90 meter.
De oude spoorwegzate Tongeren-St-Truiden: de zaten werden aangelegd in 1879. Het bracht o. a verbetering in de ontsluiting van het zuidelijk deel van Limburg voor industrie en personenvervoer. De regio ontwikkelde zich verder: vele akkers werden omgevormd tot boomgaarden. Door de opmars van het eigen vervoer, verminderde het passagiersaantal, met als gevolg dat in 1958 de laatste pendeltrein reed.
Rond 1965 werd ook het goederenvervoer gestaakt. Om aan het steeds drukker wordende wegverkeer tegemoet te komen, werden de zaten ingekleurd op het gewestplan als reservatiezone voor een expresweg. Hiertegen kwam een hevig verzet. "Géén expresweg door onze dorpen". Gelukkig hadden deze plannen geen uitvoering gekend en werden de zaten enkele jaren terug aan natuurverenigingen in beheer gegeven.
Het gebied in Kuttekoven werd samengevoegd met de aangekochte gronden van het OCMW, om alzo een mooi natuurreservaat te kunnen ontwikkelen.
Het reservaat zal in de vallei worden beheerd als:
a hoogstamboomgaard (op de hellingen)
b als nat hooiland (in de bron- en kwelgebieden).
De vallei van Kuttekoven is het brongebied van de Rullingenbeek die later uitmondt in de Herk. De waterkwaliteit van het bronwater is zeer goed, enkel de verder aangesloten woningen zorgen voor een lichte vervuiling door afvoer van stallingen en huishoudwaters.
Het reservaat ligt in het heuvelland van vochtig Haspengouw, in overgangsgebied van laag- naar midden-België. Het reliëf van de streek is zacht tot sterk glooiend. In de ganse vallei variëren de hoogten van 70 tot 90 meter.
De drogere gedeelten fungeren voornamelijk als hoogstamboomgaarden en op de lagere gedeelten werden vroeger veel populieren aangeplant wegens de vele bronnen.
De zate die ook tot het reservaat behoort, heeft een hoogte tot 5 meter, die door de mens is aangelegd in een vroeger stadium, waardoor ze samen met de omgeving een eigentijds karakter vormen.
De zaten werden aangelegd op een ondergrond van Tongeriaan- en Rupeliaan-afzettingen die bedekt zijn met leem.
Voor de aanleg van de zaten werd materialen aangevoerd van de mijnbouw. Dit mineraalrijk materiaal komt vooral voor op de taluds. Langs de zaten gelegen gronden bestaat het meest voorkomende bodemtype uit leem.
Op de vochtige gedeelten van het reservaat is ook een grote concentratie van kalk vastgesteld (maretakken in populieren en oude appelbomen).
We willen het fraaie kleinschalig karakter van het cultuurlandschap hier accentueren. De abiotische diversiteit (reliëf, aanwezigheid van bronnen) willen we in de biologische gemeenschap tot uiting laten komen.
We willen vooral de levensgemeenschappen stimuleren die gebonden zijn aan structuurrijke natte graslanden, middenhoutbos (zate), ruigte met laag struweel (zate), en een hoogstamcultuur.
§ De knolsteenbreek en maretak zijn een beschermende soort die in het gebied vrij algemeen voorkomen. Het beheer van het gebied zal zich vooral op deze soorten richten.
§ De aanwezigheid van de das moet worden mogelijk gemaakt. Dassen prefereren voedselrijk, vrij vochtig en kort grasland in een kleinschalig landschap. Deze verlangens komen goed overeen met het structuurrijk landschap. Het kleinschalig karakter zal versterkt worden door een beheer dat aan de zaten zal worden gegeven èn door het promoten van de hoogstamboomgaarden.
a
Beneden graslanden
Vlakbij de spoorwegberm loopt door de vallei een bronbeekje met een merkwaardige vegetatie van vooral watergras aangevuld met witte waterkers en mannagras. Op de dottergraslanden en kamgraslanden treft men vooral de koekoeksbloem, slanke sleutelbloem, dotterbloem, moesdistel, kale jonker, moerasrolklaver, watermunt, bosbies en moeraszegge aan. De voornaamste aanwezigheid van een toch grote populatie van de zeldzame knolsteenbreek, bewijst dat met een goed beheer de biologische waarde van het gebied kan worden verbeterd.
b Boven graslanden
Door het intensieve gebruik van deze cultuurgraslanden treft men vooral Engels raaigras, veldbeemdgras, grote vossenstaart en madeliefje aan.
c De oude spoorwegzaten
De oude spoorwegzaten zijn vooral rijk aan jonge eiken-essenbossen.
Jonge spoorwegzaten bezitten meer dan 5 m hoge bosvegetatie zoals zomereik, schietwilg, gewone esdoorn, robinia, Spaanse aak.
Veldiep is vrij algemeen in de struiklaag onder vorm van hakhoutsoorten. In de kruidlaag verschijnen reeds de eerste soorten van voedselrijke bossen zoals de gevlekte aronskelk, muskuskruid, robertskruid, dagkoekoeksbloem, geel nagelkruid, klimop, schaduwgras …
Op zondag 12 april 1998 werd gestart met het herstel en heraanleg van een hoogstamboomgaard in het reservaat Kuttekoven.
Bestendig deputé, Mevrouw Fr. Brepoels en burgemeester, de heer Chr. Colla mochten samen de eerste hoogstamappelboom planten. In haar toespraak wees de deputé op het grote belang dat de provincie Limburg hecht aan de instandhouding van hoogstamboomgaarden.
§ bruine kikker
§ groene kikker
§  alpenwatersalamander